woorden kunnen niet
wat tjiftjafbotten wel kunnen:
inkoken tot één steenachtig residu;
poeders in de farmacopee van de slaap
eerst de nestwarmte, dan het dons
tot stof vallen ze uiteen —
daarop barst de koortsdroom los:
ik, de scheefgebekte, vogelschouderige
eens de wieken breed
nu gekapt en volgevreten
krijsend op de pols van de jager