dit gaat niet over willekeurige regen, niet over regen die monotoon op daken tikt — welk dak dan ook: rijtjeshuispannen, bitumen met kiezels, een carport van golfplaat; regen die tussen om het even welke bomen zijn plasje doet; niet over de zachte, geluidloze ophoping, eerder verzamelend dan vallend op den of meidoorn of sleedoorn, op het kantwerk van spinrag; niet over regen die stuk slaat op donzige mussen en parelt op pissebeddenpantsers; niet de klaterende, zilte zomerregen op die augustusdag, waar we op de duintop stonden, onder één capuchon, waar ik nog dacht dat we samen, dat we nog altijd samen — nee, niet die regen, die regen niet
dauwdruppels aaneengeregen als een ketting
maken zilver van zacht groen mos
vaak als ik me je voorstel:
je rent als een kudde weerlichtende herten
en ik ben donker
ik ben bos