TXT 833 / 9886 / 2880 / 28

dit gaat niet over willekeurige regen, niet over regen die monotoon op daken tikt — welk dak dan ook: rijtjeshuispannen, bitumen met kiezels, een carport van golfplaat; regen die tussen om het even welke bomen zijn plasje doet; niet over de zachte, geluidloze ophoping, eerder verzamelend dan vallend op den of meidoorn of sleedoorn, op het kantwerk van spinrag; niet over regen die stuk slaat op donzige mussen en parelt op pissebeddenpantsers; niet de klaterende, zilte zomerregen op die augustusdag, waar we op de duintop stonden, onder één capuchon, waar ik nog dacht dat we samen, dat we nog altijd samen — nee, niet die regen, die regen niet

ik vroeg de regen of hij je kende
hij viel zonder antwoord

het gat van je mond sloot
er bewoog niets meer in je
dat kon ik voelen
want ik hield je vast
dat mocht voor een keer

dauwdruppels aaneengeregen als een ketting
maken zilver van zacht groen mos

vaak als ik me je voorstel:
je rent als een kudde weerlichtende herten
en ik ben donker
ik ben bos