TXT 792 / 650 / 3333 / 9844

het is vroeg in de ochtend, acht uur: buiten is er nog nauwelijks wereld; een auto schiet frontaal het frame binnen, dan slaat een harde, koele flits het interieur open — midden in het kader ligt een man met kort grijs haar achterover tegen een crème-witte hoofdsteun; onder die lichtslag wordt het gezicht iets anders: een bleek, schedelachtig vlak, strakgetrokken huid, één oog rood teruggeslagen, het andere wit, schuin uit het donker stekend, de mond halfopen in een haperende grimas; links voorin de bestuurder, onscherp en aangesneden, al half opgelost tot schim; onderaan een zwarte halve maan door het beeld; het glas blijft dicht, wazig, zonder spiegeling: een koud licht dat niets opent, alleen blootlegt

schemer in de duistere plooien van Sandringham, mist op tweed, laars zuigt veen, heidepol naast heidepol — elk een eiland van wortel en rot; hazenstrikken controleren: van de twaalf zijn er drie gevangen, waaronder één krijsende — terwijl de thermosfles ongegeneerd sputtert, bungelen fazanten doods naast kille theezakjes; tuur je terloops de dubbelloops door: een schot lost zich — cockerspanieloren klapperen, kwijl in de bek — en dan *poef* knalt een wolk roeken het hout uit; in het bos knipt een zwarte magiër met twee vingers; kleur flitst pekzwart, iriserend; vleugels kletteren als knoken terug de lanen in 

ben je de mijne, al ben je dat niet,
althans niet werkelijk, niet gemeend, 
je lichaam geleend — 
en opengebroken

al deze verborgenheid ligt om ons heen uitgespreid
zinspelend, als op een vergeten woord
omdat jij zei

‘asfodel’ — 
de plotselinge wereld die je maakt met je rode lippen

ik wilde er iets van
ik plunderde jou