de tong van mijn tante petrarca had zich op haar tachtigste verjaardag ontpopt tot een zwaarlijvige naaktslak, die volhield als stervende zwaan zulke ovaties te hebben ontketend dat zelfs het verguldsel begon mee te trillen — de mond van mijn tante: een hoefijzervormig grand théâtre van speeksel, fluweel en goudlijstwerk, een opéra garnier met rouge in de stuc, een bolsjoj!
het zaallicht dooft, aanzwellende strijkers wisselen houtblazers af, dan: de entree van de primo ballerino — uitbundig uitwaaierende witte veren, een enkele satijnen spitz met striklint; kijk: een spotlicht ontbrandt; zie: een fonkelende tiara van slakkenslijm
daar houdt hij pose: rug een satijnen boog, flanken trager deinend dan bontmantels in de vestibulen, kop hoog geheven; achter de huig sist de souffleur: maintenant, maintenant!
nu opent hij zijn pas seul: expressief wankelend naar de rand van het podium, achter zich kleverige draden die trillen als harpsnaren, werpt hij nog één glijvlucht de ruimte in, nog één onmogelijke weigering van de zwaartekracht, maar de aarde roept, de aarde trekt, de aarde eist haar weekdier terug; daar knakt de rug, daar slaan de voelsprieten nog eenmaal hoog en wanhopig uit, daar zinkt hij ineen in al zijn pracht, nog even zwaan, en sterft