TXT 4 - 16 / 2 - 155 - 13

For there must always, always be a Zorro

 

wij hadden onze wapenuitrusting aan, wij waren wapenbroeders: ik en een spookachtige ander — Òrito, mijn Zorrito tussen de degenvechters, onder je zwarte mantel je zilveren zwaard, je zacht geborstelde papieren paard, Òrito-met-de-O-benen, de Oehoeboeroe-benen, gemaskerde ruiters plakken op je bruine braces — van knie tot enkel strekt zich de sierra uit.

wij komen eraan, wildogig, stof en salie opschoppend. Tornado, Tornado — de wind die wordt losbandig, ¡A la carga! Maak de mensen wild, en maak de paarden nog wilder. dakpannen klappertanden. steppegeesten waaien de kamer door. 

kinderjaren verzeilen achter het doek van de poppenkast. gras waait om, straten tuimelen, wolken rollen hun kanonnen aan. de witgekalkte bogen, de lansiers van Monastario, de galanes die hun klapperpistolen klikken. het doek blijft bewegen. van achteren zie ik de latten waaraan de haciënda hing. 

en het pad dat ik kende trekt zich achteruit de kinderkamer in. de steppe rukt zich los van de latten en sleurt de lansiers mee, hun paarden, jouw papieren paard. Òrito, wacht, ik moet nog achterop! het doek slaat om je heen, je zwarte mantel bolt en trekt de sterren uit hun spijkers.