TXT 159-161

Ontwaken is een parachutesprong uit de droom
— Tomas Tranströmer

liefste, dit is geen brief, ik kan er je geen schrijven — nog vóór je naam er staat heb ik hem al herschreven. ik kan je niet schrijven hoe jij, als uit het elastiek van een katapult mijn dampkring ingeschoten, van de ene verpleegstershand naar de andere, werd gemeten en gewogen — en ik zag hoe onwaarschijnlijk je was, hoe lief en onaards, gloeiende sintel, hoe ik naar je keek en jij naar mij, hoe ik je knuistje vasthield die hele eerste nacht, godweet hoe lang het duurde, klaarwakker was ik — dat ik met mijzelf niets aanvangen kon wist ik toen allang, en dat ik zielsveel van je houd, stond al vast — maar schrijven kan ik het je niet en dit is geen brief

ik kan je niet schrijven hoeveel nachten wij nog dachten dat wakker blijven hielp, je aardse pols verdwaald in verspringende signalen, goed, niet goed, honger, pijn, slaap — tot de machines beginnen te gillen, je geen lucht krijgt, je krijtwit wordt, daar lig je, bibberend in je ruimtecapsule, en ik denk: je kosmische papa en mama komen je halen — ik ren van je weg, de gang op, is daar iemand, iemand? vreemd wat daarvan overblijft: niet de angst zelf maar het licht in die gang, de rubberzolen, een deur die zacht in het slot valt, dingen die van niets weten en daarom alles zo verdomde goed onthouden

ik kan je niet schrijven wanneer het gebeurde, je stappen groter dan je benen, je hand in de mijne, wat ooit vanzelf ging — ging zo voor het laatst — ik zou die dag kunnen aanwijzen als ik hem kende. en soms staat zonder waarschuwing een hele middag weer overeind, bladert een detail het donker uit, jij, de kamer eromheen, het licht — ik kan je niet schrijven waar al die buitenaardse kinderen gebleven zijn die jij geweest bent, ik heb ze nergens zien vertrekken 

wie weg is is niet gezien, de rest moet nog gevonden worden — soms vind ik, soms zoek ik, allang gevonden zoek ik nog — ik tel honderd uit  

ik kan je niet schrijven hoe vaak ik heb gezegd: voorzichtig, niet zo hoog, vingers weg — en toch zou ik ze je het liefst allemaal geven, ieder verbod, iedere uitweg, alles wat ik nu weet en toen nog niet, ik zou het in je zakken stoppen tot je ervan rinkelt  

maar dat is niet hoe het werkt  

en dit is nog steeds geen brief

ik kan je niet schrijven wat jou nog gaat overkomen, dat moet je me later maar vertellen — in kamers waar je nog moet verschijnen zet iemand koffie, iemand zoekt zijn sleutels, iemand kijkt uit een raam, en niemand mist je
 
vraag me wie ik was voordat ik je vader werd, ik zal zoeken

vraag me waar je naartoe gaat

schrijf het daarna voor me op