eens ging ik door een spiegel
en na een paar wankele stappen
doemde een reusachtige, trillende vlakte op:
het was adembenemend leeg
echo’s // rillingen // snippers van licht
het flikkert, het klikt
en ik word beeld —
stotterende projectie
op een rolgordijn
neergetrokken tot aan de rand
van het zijn
ik ruik bossen
ik raak verre landen aan
ver weg klinken stemmen
ik hoor trommels slaan
jij —
ik —
gehurkt in een wolk van pijlen
een schimmenspel
een leep stel bola’s
twee vingers heffen
om zo, strekkend,
horens uit te beelden
SAH-BHA-K-THA-NI
SAH-BHA-K-THA-NI
hoeven hameren bot tot poeder —
Dionysos in galop
ik gnu, jij gnu
de meute stuift ons door
wildebeest droomt wildebeest
gromt mijn verbaasde zelf
wat jij niet bent — ben ik het meest
SAH-BHA-K-THA-NI!