TXT 649-50 / 344 / 355 / 277 / 377

i — frestón de magiër

de zwarte magiër knipt met twee vingers —
kleur flitst pekzwart, iriserend,
roeken slaan krijsend de lucht in

onder het gebint
bolt een rookwolk op
trekt zich lang, wordt slang
siddert de kamer door

boeken verliezen hun rug
de muren hun dikte
de deur haar gewicht

het dak splijt open
armen schieten uit het hout
grijpen wind —

ii — de reuzen

rrrriiiii—zing—wóesj
rrrriiiii—zing—wóesj
kraaa-krak-kraaa

rrrriiiii—zíííng—wóesj
rrrriiiii—zíííng—wóesj
kraaa-krak-kraaa

iii — don quichot

schurken, lafaards!

dat ik uit het zadel ben geslagen
bewijst alleen
hoe ver zij hun betovering hebben uitgestrekt

toen hun armen nog bomen waren
hun vingers onder de aarde —
heb ik ze reeds gezien

nu trekken zij zich los:
wortels, pezen,
een heel witgekalkt gebeente —

zie hoe zij de doden
aan hun armen hebben vastgebonden
hoe ze over land trekken
spektakel en gordijn tegelijk —
zie hoe ze terugkomen in de wind!

welke reuzen?

die daar, sancho, daar!
de angst heeft je meel
in de ogen gestrooid

zie je niet die tanden in de witkalk?
hoor die knoken kletteren
nog één stap
en je stuift door de kieren!

ga opzij!

kom, mijn vóór-paard, mijn nog-niet-gezien paard
zet je vier hoeven onder mijn onderneming

vooruit, vort!
rocinante de sporen
de lans onder de arm
de helling af als de bliksem —

haal eerst dat stof uit mijn mond!

iv — sancho panza

ik had de vijgen onderin de zak gedaan
de kaas erbovenop
nu zit er kaas in de vijgen
vijg aan het mes

honger is de beste saus, zegt men
maar dit was goede kaas

daar wordt gemalen, meester
koren tussen stenen
steen op steen
tot meel het veld doorstuift

het zit u in de wimpers
het bleekt uw oren
wanneer u uw ogen sluit
staan er twee donkere amandelen
in uw gezicht

ik ken dat wit

mijn moeder sloeg haar handen af
aan haar schort
en legde ze toen aan mijn wangen

nu vraagt u waar uw tand is
blijf met uw tong van dat gat
ik zal zoeken

een tand is veel kostbaarder 
dan een diamant, zegt men
maar diamanten heb ik niet

houd dit even vast
niet knijpen
dat zijn de vijgen