TXT 622 / 623 / 624

ik schrijf moeras en het moeras welt op
ik wring mij door riet
zet poot aan wal  
zing zoem en het zoemen slaat aan:
muggenlarven hangen komma’s
in stilstaand water —
verderop hijsen paardenbloemen
zich in angoratruien, knappen brempeulen
hun knookjes open,
mummelt de rups aan kruisbessenblad —  
zodra zij openbarst,
schroef ik wantsen aan distelstengels,
kruiskop na kruiskop kroont
de schimmel mij wit —  
ik denk klauwen en verdomd ik heb ze,
trek takken naar mij toe,
breek de geheime deur
van aarde en asfalt open,
ruk als een Godzilla
het wasgoed van lijnen,
sla muziek uit straatkolken
tot alles de portieken in vlucht —  
dan slaat het weer met een brul om  
van Shanghai tot Rome
springen paraplu’s open,
sirenes verdunnen tot ruis
ruis sijpelt weg
langs goten
langs stoepranden  
ik kijk op uit plassen en cisternen,
de hemel recht in het gezicht